De natuurlijke habitat van stinzenplanten
Bij het beheer van bodems waarop stinzenplanten groeien en bloeien is het belangrijk om eerst te kijken naar hun natuurlijke leefomgeving. In welk type bodem en habitat doen stinzenplanten het van nature goed?
Veel stinzenplanten hebben hun oorsprong in de bergen en heuvels van met name Midden-Europa. De bodems in deze gebieden kennen van nature een sterke dynamiek. Door de verplaatsing en inspoeling van bodemmateriaal – bijvoorbeeld door smeltende sneeuw – worden voortdurend organisch materiaal, klei-, leem- en zanddeeltjes aangevoerd. Hierdoor ontstaat een bodem met een rijk bodemleven, waarin schimmels, wormen, insecten en bacteriën actief zijn. Er vinden continu omzettingsprocessen plaats: een bodem met veel leven en dynamiek.
Het belang van organisch materiaal
Bij het beheer van stinzenplantenvegetaties is het wenselijk om deze natuurlijke omstandigheden zoveel mogelijk na te bootsen. Het toedienen van organisch materiaal, zoals compost, bladaarde, bokashi en/of baggeraarde die minimaal één jaar in depot heeft gestaan, draagt bij aan een rijk en actief bodemleven.
Door de afbraak van dit organisch materiaal komen mineralen en andere voedingsstoffen geleidelijk vrij, die kunnen worden opgenomen door stinzenplanten en andere bodemorganismen. Dit resulteert in een betere groei, rijkere bloei en meer zaadvorming. Bovendien zorgt een gezond bodemleven ervoor dat zaden van stinzenplanten beter worden verspreid, bijvoorbeeld door mieren. Het uiteindelijke doel is een rulle, losse en levende bodem.
Hoe ga je te werk bij het toevoegen van organisch materiaal
Breng na het groeiseizoen, in het najaar vanaf half oktober tot in december, organisch materiaal aan. Dunne lagen is het advies. Een goede richtlijn is maximaal 2 centimeter eens per drie jaar. Dit komt neer op ongeveer 1 m³ compost (of vergelijkbaar materiaal) per 50 m². Nog beter is het om jaarlijks een laag van circa 1 centimeter aan te brengen; dan gebruik je ongeveer 1 m³ per 100 m².
Voorkom bodemverdichting tijdens het uitrijden van het materiaal. Gebruik waar nodig loopplanken of rijplaten om druk op de stinzenplantenlocaties te beperken. Eventueel kan de bodem daarna plaatselijk voorzichtig worden losgemaakt met een riek.
Controleer altijd of het organisch materiaal dat je gebruikt schoon en niet verontreinigd is. Vraag bij aankoop naar gecertificeerd materiaal.
Het belang van kalk
Kalk bevordert de afbraak van organische stof in de bodem en zorgt ervoor dat mineralen beter beschikbaar komen voor planten. De meeste stinzenplanten houden van een kalkrijke bodem. Maar ook op zand- en veengronden zijn er andere soorten stinzenplanten die juist op deze gronden zich goed kunnen ontwikkelen. Denk hierbij aan de bosanemoon, lenteklokje, boerenkrokus, wilde narcis en de wilde hyacint. Stinzenplanten op de kleigronden gedijen het best bij een pH-waarde van rond de 7. Op zandgronden zullen deze waarden lager liggen, zo rond de 6 en op veengronden is de streefwaarde tussen de 4,6 en 5,2. Als op veengronden de pH lager is dan 4,6 kan er bekalkt worden. De pH moet niet hoger worden dan 5,2 want dan klinkt het veen te snel in en ontstaan verzakkingen en schade aan de bodemstructuur.
Kies bij het bekalken – ongeacht de grondsoort – bij voorkeur voor langzaam werkende, kalkrijke producten. Deze zorgen voor een geleidelijke afgifte van kalk en voorkomen sterke schommelingen (het zogenoemde jojo-effect) in de beschikbaarheid van mineralen en voedingsstoffen. Snelwerkende kalkmeststoffen zijn daarom minder geschikt.
Hoe ga je te werk bij bekalking
Zorg allereerst voor een betrouwbare pH-meting! Meten is weten.
Ook het bekalken kan in het najaar, tussen half oktober en december, worden gedaan. Zo eens per drie jaar is voldoende. Aan te bevelen is het gebruik van zeeschelpenkalk of kippengrit. De hoeveelheid is ongeveer 10 liter op 100m2, dit geldt als een royale gift. Ook fijngemalen puin van goede, gecontroleerde herkomst kan worden toegepast.
Wanneer deze materialen niet beschikbaar zijn, kan zeewierkalk worden gebruikt. Dit werkt sneller en zal daarom vaker moeten worden herhaald. Houd je hierbij altijd aan het strooiadvies van de leverancier en voorkom overmatige bekalking.